1700-1800, de burcht Ompteda wordt de boerderij Omtada

Het jaar 1700, de Ompteda-tak sterft uit en de Omptedaborg wordt verkocht. Rond 1750, de burcht Omptedaborg wordt gesloopt en op de fundamenten wordt de boerderij de Omtadaborg gebouwd.

1: Grafsteen Jan Geerts met het wapenschild van de Ompteda’s met de Dubbele Adelaar, 23-01-1711

Tekst grafsteen: Ter nagedachtenis van de edele Jan Geerts Hoveling op Omta, ’t Zandt, Leermens, Enum, Zerijp & Kerkvoogd en Oudeling der gemeente Jesu Christi op ’t Zant. Geboren anno 1661 en den 23 Januari 1711 vol hope der Zaligheid in den Here ontslapen. Bijzonder zijn de ontvouwde rouwfloersen op de grafsteen van Jan Geerts. De ophangpunten worden gevormd door twee handen en twee uitslaande vleugels aan een kop: engelen

Een jaar voor zijn dood verkoopt Fecko Ompteda de borg op 23 maart 1699 aan de niet-adellijke Jan Geerts en de in Rottum geboren Trijntien Knols voor ƒ 22.000, –. Zij mogen door de koop de titel hoveling, maar niet de titel jonker gebruiken. De nieuwe eigenaren ontvangen voor dit bedrag:

Zijn borgh Ompteda met 36 grazen[i] land met dijk en dijkstal (waaronder de borgh, het heem, schathuis enz.) ten zuiden van de Heereweg; b. 37 grazen beklemd[ii] land ten westen van genoemde 56 grazen; c. zes deimpten5 land buitendijks onder Godlinze ten oosten van de ‘Zant­ster dijckstal’; d. het recht ‘van’ het huis de St. Catarina praebende, ten westen van het Maar[iii],  waar­onder 27 grazen praebende land, van welke 27 grazen de jaarlijkse huren ad pios usus[iv] moeten worden bestedet. e. een heemstede of graspraebende; f. het staande zijlrecht op het huis Ompteda vallende; g. twee collaties[v]; ‘de bovenste zitplaats’ in de kerk te ’t Zandt en het halve koor tot begrafenis, waar de verkoper na z’n overlijden ter aarde zal worden besteld; bene­vens 21 graven op het kerkhof ten noorden van het koor of de kerk; h. seven à acht redger- en lanc­krechtsgerechtigheden zo beneden als boven de Correl[vi] op ’t Zandt an gedachte huijs Ompta gehoorig, en volgens slijtboeck tot Leermens aldaer konnen verdedigt worden. Behorend. 1699 maart 23. Met twee dorsale kwijtingen van Jan Geerts en Trijntien Knols e.l. door Fecco Ompteda wegens de voldoening der laatste twee termijnen van de koopsom. 1699 mei 3 en 1699 november.

Op 5 juni 1701 verpacht Jan Geerts voor de periode van 9 jaren het zijlrecht, de ‘bovenste zitplaats’ in de kerk en de redger- en lanc­krechtsgerechtigheden aan Gerhard van Walrich, heer van Bolsiersema. Jan Geerts overlijdt in 1711. Interessant genoeg wordt op zijn grafsteen in de Mariakerk al vermeld: Hoveling op Omta (dus zonder p, afb. 1).

Op de grafsteen in de Mariakerk van zijn vrouw Trijntien Knols, die al in het jaar 1700 overlijdt, wordt nog de naam Ompta (met p) gebruikt.

Tekst grafsteen Trijntien Knols: Anno 1700, den 25 juny, is de eer en deuchtsaeme vrouw tryntyen cnols, huisvrouw van de d.e. hovelink jan geerts, op ompta, seer christelyk in den heere ontslapen, wachtende door godts genade met alle ware gelovigen een salige opstandinge ten eeuwigen leven alleen door jesum christum.

De poëtische tekst op de grafsteen van Tryntyen Cnols duidt op een vreugdevol leven na de dood. De tekst luidt: Ik rust alhier maar voor een tydt / Mijn ziel haar in de Heer verblijdt / Totdat myn lichaam onbevleckt / Oock heerlick worde opgeweckt / Dan sullen wy in ’t hemelryck / den Heer loven eewiglyck. (G. Snaak, 2019).

Ompteda komt in het bezit van Fricke Reints (of Frick Reynders/Reinders) en Trijntien Jans. Ook het hovelingschap gaat naar hen over. Zoals te zien is op de gedenksteen uit 1714 van de restauratie van de toren van de Maria­kerk wordt Fricke Reints, net als Jan Geerts, hoveling op Omta, genoemd (afb. 2).

2: Gedenksteen uit 1714 van de restauratie van de toren van de Maria­kerk. Rechts zien we het wapen van de Ompteda’s dat Fricke Reints heeft overgenomen  

Tekst: A o 1714 is deze toorn nieus gerepareert door ordre van d’hoogwelgebr. Heer Gerhard Walrich, Heere van Bolzyrzema, als D.E. Peter Ewes en D.E. Frikko Reinders, hoveling op Omta, kerkvoogden waren’.

In 1723 koopt hij ook de borg Bolsiersema in Leermens voor ƒ 5.760 met ‘schathuis, grachten, hoven, wel beplante singels, verscheiden schone vazen en piedestallen in het binnen en buitenhof staande’. Hij overlijdt in 1724. Naast de grafzerk van Jan Geerts (afb. 1) ligt de identieke grafzerk van Fricke Reints. Op beide grafstenen staat het Ompteda-wapen.

De belangrijkste gebeurtenis tijdens zijn leven vindt plaats op kerstnacht 1717. De dijken bevinden zich in slechte staat en de Oude Dijk breekt door, waardoor er in totaal 47 mensen op ’t Zandt overlijden. De Kerstvloed is het gevolg van een Noordwester storm, die het kustgebied van NederlandDuits­land ­en Dene­marken treft. In de provincie Groningen reikt het water tot de stad Groningen (afb. 3).

3: Door de Kerstvloed 1717 onder water gelopen gebieden in Groningen Uitsnede uit een grotere kaart die het hele gebied van Denemarken t/m Noord-Holland beslaat, Joh. Bapt. Homann, 1718-1720

In totaal verdrinken er zo’n 14.000 mensen waarvan 2.776 in de provincie Groningen. Het is de laatste grote overstroming in Noord-Nederland. Na de kerstvloed van 1717 gaat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de dijken van de grondeigenaren over naar de Nederlandse regering. In 1718 wordt de noordelijk gelegen zomerdijk opgehoogd tot zeewerende hoogte. Besloten wordt dat ook de bewoners van landstreken die niet aan de zee grenzen moeten meebetalen aan het herstel en de versterking van de dijken. Hiertegen ontstaat verzet dat culmineert tot de eerste Boerenopstand van 1718, waarbij duizen­den boeren en burgers op 4 oktober 1718 het Huis te Aduard van jonker Evert Joost Lewe aanvallen. Soldaten weten de opstandelingen uiteen te jagen met enkele doden tot gevolg. De leiders van de opstand worden terechtgesteld. Uiteindelijk wordt in 1840 de huidige zeedijk aangelegd.

De overheid had al gewaarschuwd moeten zijn door de Sint Maartensvloed van 13 november 1686. Het water komt dan wel zo’n 50 cm lager en op ’t Zandt laten ‘maar’ 9 mensen het leven, maar de predikant van Godlinze schrijft op een blad van een nog steeds beschikbare Statenbijbel, net als abt Emo 450 jaar eerder, een treurig oog­getuigen­verslag.

‘De meeste huizen zag men in de morgen van de oude dijk afgespoelden verdreven. Op een hooiblokzijn twee mensen van de meden komen aandrijven. Dd huizen aan de noordkant waren zodanig met water bezet, dat er geen voet van de zolder vrij was. Dode varkens en schapen kwamen op de weg drijven.’

4: Document met lakzegel van 2 april 1767 over de verkoop van 10 grazen beklemd grasland op de Godlinzer Uiterdijk aan Herman Tjassens

Op enig moment wordt de Omptedaborg gesloopt en op zijn plaats wordt een boerderij gebouwd, de Omtadaborg. Wanneer is niet precies bekend. In een akte van 8 december 1741 is sprake van een plaats op ‘t Zandt met schuur, bomen, plantage en rechten, welke door de weduwe van Frick Reints, Trijntien Jans, voor ƒ 9.200 (een huidige waarde van ongeveer € 90.000). wordt verkocht aan Paulus Laman (1668-1747), tussen 1731 en 1747 negen keer één van de burgemeesters van Groningen. In deze koop was niet inbegrepen het ‘groote off oude hooge huis tot Ompta’, dus de borg zelf. Ook in 1747 bestaat deze nog want op 26 mei van dat jaar kondigen de erfgenamen van Trijntien Jans de verkoop aan ‘op de borg van Ompteda’ van huismansgereedschap, paarden, koeien enzovoort. Misschien is na de verkoop van het gereedschap en het vee de oude borg gesloopt.

Omdat er met name vee wordt verkocht lijkt het dat op de landerijen van de Omtada-borg vooral vee wordt gehouden. Dit is niet te verwonderen, behalve in het Hogeland waar akkerbouw voorkomt, wordt er in de Ommelanden vooral vee geteeld. Dat kan ook niet anders, gedurende de wintermaanden staat nog steeds een groot deel van de Ommelanden onder water. Ook zorgt de veeteelt voor rijke inkomsten wat de interesse verklaart van Groninger stadsbewoners, zoals de eerdergenoemde Paulus Laman, die veel land kopen in de Ommelanden. Maar in de eerste helft van de 18e eeuw breekt er tweemaal een veepestepidemie uit, de eerste duurt van 1713 tot 1721 en de tweede vindt plaats in 1744. In dat jaar sterft zelfs meer dan de helft van de veestapel.

De economische malaise die hierop volgt lijdt mede tot de tweede Boerenopstand, de Groninger Oproer, in Nederland beter bekend als de pachtersoproer. De oproer heeft verschillende oorzaken. Bestuurlijk is er veel kritiek op het verdelen van de lucratieve baantjes door de regenten, in Groningen dus de jonkers. Daarnaast is er strijd tussen de Oranjegezinden en de niet-Oranjegezinden, maar de oproer wordt vooral veroorzaakt door de hoge belastingen in verband met de deelname van de Republiek aan de Oostenrijkse successieoorlog (1740-1748). De overheid in de Republiek haalde niet zelf belasting op, maar verpachtte het innen ervan aan particulieren. Het pachtbedrag dat de pachters vroegen was vaak hoog, ook omdat verschillende pachters tegen elkaar op boden. De oproer begint op 17 maart 1748 in Groningen. De al inde pagina over de Groninger tak van de Ompteda’s genoemde meier Jan Clasen Nieboer speelt hierin een leidende rol. De huizen van de jonkers en de belastingpachters worden aangevallen, vooral diegene die niet overtuigend genoeg hun Oranjegezindheid hadden laten blijken, zoals de gehate jonker Evert Joost Lewe, die het ook bij de eerste Boerenopstand van 1718 al moest ontgelden. De pachtershokjes, opgesteld bij graanmolens worden neergehaald of in brand gestoken. De Groninger oproer zou een eind maken aan de mogelijkheden van de jonkers om de lucratieve bestuurlijke banen onderling te verdelen.

In Amsterdam breekt de pachtersoproer op 24 juni 1748 pas echt uit. De straten worden opengebroken en er wordt met stenen gegooid. Vervolgens gaat het volk naar de huizen van de pachters. Alles wordt stukgeslagen, opengebroken en de drank wordt opgezopen. Kisten met geld en kostbaar porselein worden vanaf de bruggen in het water gegooid en er vallen drie doden. De rust keert pas weer als op 26 juni alle pacht voor een halfjaar wordt opgeschort. Op vrijdag 28 juni worden als represaille twee mannen en een vrouw opgehangen. Er komt veel volk kijken, er wordt geschoten en opnieuw vallen er doden. De mensen zoeken een goed heenkomen en sommigen springen zelfs in het water. Naar schatting worden in Amsterdam 200 man vertrapt of verdrinken in het Damrak.

Een positieve kant van de economische malaise is dat de huur van de landerijen steeds vaker op een vast en onveranderlijk bedrag wordt gefixeerd, het beklemrecht. Beklemmingen (door een ‘meier’ gepacht land) komen bijna alleen voor in Groningen. Door de gestegen landbouwprijzen wordt in de 19e eeuw niet het eigendom maar juist de beklemming steeds meer waard. In het begin moeten de erfgenamen de beklemming bij overlijden van de meier nog van de eigenaar overnemen tegen soms aanzienlijke financiële kosten. Later hoeft dit niet meer en wordt de beklemming v.a.i.a.l.v. (vast, altijddurend, in alle liniën verervend, zie ook de verkoop van de Omtadaborg in 1921).

De nieuwe behuizing, schuur, hoven, singels en grachten, ‘het huis Ompta genaamd’, worden dan ook samen met de beklemming der landerijen door Anna Laman (1739-1768) en Hermanna Maria Laman (1741-1811), kleindochters van Paulus Laman, op 4 december 1761 publiekelijk verkocht aan Jan Willems en Martjen Eijses. ‘Huis Ompta’ is dan nog slechts een verwijzing naar de geschiedenis van de locatie. Als zij in 1777 als weduwe van Jan Willems hertrouwt met Johannes Venekamp ‘behoudt‘zij, waarschijnlijk in een verdeling van Jan Willems’ nalatenschap, ‘het huis Omta’ plus de 4 goelde schuire met vaste beklemming van 83 ¾ grazen land voor een jaarlijks huur van ƒ 260 aan de Heer Racis heer Tjassens  de raadsheer Herman Tjassens (1733-1798), weduwnaar van Anna Laman, waarmee hij in 1764 was gehuwd. Martjen Eijsses moet ook zijn drie kinderen van dan 9,10 en 12 jaar oud onderhouden tot ze 18 jaar zijn en hen dan ƒ 5.500 uitkeren. Herman Tjassens wordt ook genoemd in het oudste document dat ik bezit over de Omtedaborg van 2 april 1767 over de verkoop aan hem van 10 grazen beklemd grasland op de Godlinzer Uiterdijk (afb. 4).

In de 18e eeuw treedt er nog een laatste veepestepidemie uit, van 1769 tot 1776. Daarna verbetert de situatie. Door de introductie van de ‘methode Reinders’ in 1774, kan de veepest door inenting steeds effectiever worden bestreden. Geert Reinders (1737-1815) uit Bedum ontdekt als veehandelaar en boer als eerste de mogelijkheid van vaccinatie en sticht de eerste ‘coöperatieve’ verzekering in 1794. Als Orangist maakt hij zijn resultaten openbaar in een brief aan stadhouder Willem V. Later worden zijn resultaten vertaald in het Engels en gezonden naar de Royal Society in Londen. Het is daarom aannemelijk dat Edward Jenner zijn resultaten heeft gebruikt als grondslag voor de ontwikkeling van de ’koepokvaccinatie’ in 1798.

Ook stappen veel Groninger boeren over op de akkerbouw. Het inzaaien van graan is veel goedkoper dan de aanschaf van een nieuwe veestapel. Zoals we in hoofdstuk 2 zagen bestaat de grond in het Hogeland uit zeeklei en is dan ook zeer vruchtbaar. De boeren maakten daar te weinig gebruik van door de grond vooral te gebruiken als grasland voor de koeien. Nu boeren overstappen op de verbouw van graan blijkt dze uitstekend op deze akkers te groeien. In de tweede helft van de 19e eeuw groeit het Hogeland uit tot de graanschuur van Europa. Ook de intensivering van de landbouw en het gebruik van modernere landbouwmethoden stimuleert deze overgang. Het is dus mogelijk dat ook de Omtadaborg in deze tijd (gedeeltelijk) is overgestapt van veeteelt naar graanverbouw.

In 1777 treden Aldert Jans en Engeltje Jans in het huwelijk. In 1778 willen zij hun boerderij en 98 grazen beklemd land in Godlinze verkopen (Groninger Courant, 04-02-1778), terwijl Engeltje Jans als weduwe van Claas Pieters land in Spijk verkoopt (Groninger Courant, 04-09-1778).  Klaarblijkelijk is de verkoop van hun boerderij en het beklemde land in Godlinze in 1778 niet doorgegaan, want in 1781 bieden ze het opnieuw aan. Interessant genoeg is nu één van de kopers Arend Willems (1717-1779), de vader van Derk Arends, de eerste Omta op de Omtadaborg.

Van de opbrengst kopen zij op 17 mei 1782[i] ‘de plaatse Omta genaamd’ van Martjen Eijses, ‘benevens de vaste en altoosdurende beklemming van 83¾ grazen land, doende jaarlijks aan den Tjassens   tot huur 260 gulden, doende in de verponding[ii] ƒ 26,–, 8 stuivers, vrij van Zijlschot voor ƒ 9.300’. Op 19 april 1805 overlijdt Aldert Jans op 57-jarige leeftijd aan een beroerte (Groninger Courant, 23-04-1805).  In 1806 koopt Engeltje Jans van de andere erven, huis Omta in ‘waren’ eigendom voor ƒ 23.146, 8 stuivers en 7 ½ duiten.

De Franse tijd met de Napoleontische oorlogen en de sluiting van de zeegrenzen door het Continentaal stelsel is een tijd van voorspoed voor de Groninger boeren. De waarde van de Omtadaborg is dan ook sinds 1782 meer dan verdubbeld. Van een huidige waarde van zo’n € 80.000 in 1782 naar zo’n € 170.000 in 1806.

[i] In het verslag van Norma Friend-Omta over de emigratie van haar familie naar de VS komen een aantal verslagen voor van informatie die ze ontving van Willem Dirk Omta (1937-2019) over de geschiedenis van haar voorouders in Nederland.  Volgens hem wordt in de stukken van het Zandster Eesterrecht de datum 5 juli 1782 als verkoopdatum genoemd.

[ii] Een soort grondbelasting.

[i] De maten grazen en deimpten verschillen per gebied, maar zullen waarschijnlijk beide grofweg iets minder dan een halve hectare beslaan. De maat gras is gebaseerd op de hoeveelheid gras­land die nodig was voor één koe.

[ii] Verpacht

[iii] Riviertje bij ’t Zandt, nu Oude Maar

[iv] Ad Pios Usus (= tot een godsdienstig/vroom gebruik), dus voor kerken, diaconieën etc.

[v] Het collatierecht is het recht om een dominee voor benoeming voor te dragen.

[vi] Het voormalige riviertje De Korrel